De stad

Schemering

Daarstraks wist ik het weer: wat ik het meeste mis als ik in Frankrijk ben, of ergens anders buiten deze stad. Zo maar een stukje wandelen in de schemering. Van A naar B, of een enkele keer naar C en via F weer terug. Daarstraks liep ik van Schellingwoude over de sluizen langs het kanaal naar huis. Een literaire wandeling, die Nescio vaak heeft gemaakt. Je zou er inderdaad van gaan schrijven. Zoals de zon aan het eind van het IJ door de horizon zakt, als een sjoelschijf door het poortje, tegen een lucht die van roze naar oranje kleurt en doet alsof dat normaal is. Een schouderophalen. Een routineklus.

Al dat water, de grote boten, de nieuwe flats waarin een voor een de lampen aangaan. Silhouetten die zich over de brug haasten, auto’s die remmen en weer optrekken, stadsbussen met mensen achter de ramen. De schemering in mijn eigen huis geeft me de kriebels, dat grauwe licht, die deuk in de dag. Hoe anders is het om tijdens de transformatie van licht naar donker in beweging te zijn. Wandelend langs de rand van de stad is de schemering van een geruststellende schoonheid. Het zit erop. Doe maar wat rustiger aan.

Ook in dat dorp op het Franse platteland kan ik rond zessen mijn wandelschoenen aantrekken en de duisternis tegemoet lopen. Maar zo mooi of volstaand als het landschap overdag is, zo karakterloos is het 's avonds. Alles zakt weg in hetzelfde stomme donker. In de verte brandt een lichtje en dat is het dan. En de sterren dan? Ja mooi hoor. On niet te zeggen magisch. Mágisch! Maar dat flakkerende donker boezemt me ook angst in. Het zwerk is zo groots en ik begrijp er zo weinig van; en dat botst met elkaar. Ik voel me niet betoverd, maar overweldigd of op een existentiële manier aangerand. Gedwongen om er lering uit te trekken, betekenis aan te geven. Zie ons hier stralen. Kijk dan hoe schitterend. Maar ik tast in het duister.

In Frankrijk haast ik me naar binnen zodra het donker wordt en verbeidt de tijd tot de volgende ochtend. 's Nachts is onze tuin het domein van slakken en kleine knaagdieren. Zij bewerken op hun manier het land zoals ik dat overdag doe. Een harmonieuze ploegendienst, en ieder heeft z’n eigen kantine. De avonden zijn lang. De nachten een en al absorptie; ik kan nergens heen. Ik lig gebakerd in stilte, alleen de tinnitus breekt er doorheen.

Ik kan zonder de film, ik kan zonder museum, ik kan best wel even zonder vrienden, ik kan zonder mijn eigen bed, maar ik voel nu wat ik daar mis. De vrijheid om tegen zonsondergang naar buiten te gaan en door de stad te lopen. Mens onder mensen. Mijn ogen uitkijkend. Met altijd wel ergens een bus of tram die je terug naar huis brengen kan. Zoiets.

(oktober 2024)