Zendingen

Wat wil ik?

Wat wil ik? Dat was de huiswerkopdracht die we van de meditatiejuf meekregen. Een week lang mochten we ’s ochtends en ’s avonds 20 minuten kauwen op die vraag. Wat wil ik? En terwijl ik van de zendo naar huis fietste en al begon na te denken over die vraag, had ik de sensatie dat ik een kiezelsteen doorslikte. Een onwrikbaar element dat er na een duistere reis en met veel pijn en moeite in exact dezelfde vorm weer uit zou komen.

Een oeroude onverteerbare kiezelsteen. Dat is 'wat wil ik' voor mij. Want ik weet het nu niet, morgen niet en ik heb het nooit geweten. Wat wil je worden als je groot bent? Wat wil je studeren? Wat wil je met je haar? Wat wil je op je brood, in je koffie, dit weekend doen? 

Wat wil ik? En daar komen de onzichtbare mieren, in lange colonnes, via de opening tussen mijn grote en tweede teen, over mijn wreef, slingerend om mijn onderbenen heen, over mijn knieën, kris kras door mijn schaamhaar (...) en dan via mijn oren tot in mijn hersenen, waar het leger zich oprolt tot één hete wriemelende bal. Paniek. Ik wil iets maar ik weet niet wat. Twee keer per dag gedurende twintig minuten paniek. Want niet weten wat je wilt is een schande. Zoveel keuzes als gezonde vrouw aan het eind van het eerste kwart van de eenentwintigste eeuw in een duurzame seniorenwoning met verdorie een grote liefde op treinafstand. Niet weten wat je wilt is een belediging aan het adres van vrouwen die geen keuze hebben. Die niks te willen hebben en zo meer en zo verder en dat twee keer per dag met uitzondering van zondag.

Op zondag mediteer ik niet. Maar ik was toevallig wel in de Lidl, waar ze gekleurde kaarsen in de aanbieding hadden. Grote dikke of dunne lange per twee verpakt. Er waren kaarsen met kleuren die vloeibaar in elkaar overlopen. Maar ook kaarsen in spiraalvormen, met ribbels en sommige gedoopt in zilver of goud. Wat wil ik? Ik was gelokt door de dopamine-kaarsen die via blauw over groen naar zilver gingen. Koos toen voor de felblauwe met ribbels. Eindigde uiteindelijk met de bruine in spiraalvorm. Bij elk keuze stond mijn leven op het spel, of althans mijn identiteit. Dat gaf ik ook als antwoord in de meditatieles. 'Waarom vond je het zo moeilijk om te kiezen', vroeg de docent. 'Identiteit', zei ik. Ik ben die kaars. Ik ben mijn keuzes. Ik ben geen flitsende driekleurige dopamine-kaars met een zilveren basis. Ik ben die tuttige bruine kaars die bij mij op tafel staat. Dat zei ik er allemaal niet bij. Ik liet het bij 'identiteit' en zag de anderen glazig kijken. Maar ze hadden net zo geworsteld met de vraag als ik.

De docent liet ons even begaan en zei toen dat het niet uitmaakt. Blauw of bruin, spiraalvormig of geribbeld. Er bestaat geen perfecte keuze. Wat nu perfect lijkt, kan over een kwartier een teleurstelling zijn. 'Volgens Zen', zei ze, 'moet je accepteren dat je niets ooit zeker kunt weten.' Alles verandert voortdurend. Het enige wat je kunt doen is iets doen. En maar zien wat daar van komt.