Ik ging naar de tuin om een kip te begraven. Half opgegeten zag ik haar afgelopen zaterdag onder de wilg liggen. Haar kop ontbrak. Ik herkende haar aan haar poten. Ik dacht, laat de natuur dit karwei maar opknappen. Maar ik kreeg wroeging en besloot toch een uitvaart te regelen. Ik dacht na over de plaats en diepte van haar graf. En gruwde alvast van haar gewicht op de schep. Een uil, zeggen kenners, weegt niks. Maar een kip? Niet aan denken. Misschien valt het mee. En inderdaad, want ze was weg. Foetsie. Geen veer of lel meer te bekennen. Kwam ik daar even goed weg. Fluitend liep ik over de sluizen en langs het kanaal terug naar huis. De hoogbouw in aanbouw deed me niets. Het eindeloze verkeerslawaai liet me koud. Ik neuriede een liedje en kreeg bijval van een lijster. Niks dunnetjes of aarzelend, maar een luid en duidelijk 'ik zit hier in deze boom, hoor' (op z'n lijsters). En toen werd het nog mooier, want in de toppen van de kale populieren langs de waterkant streken honderden spreeuwen neer. Het wachten was op een onzichtbaar signaal dat ze de boom uit zou jagen om hun metamorfose-dans te doen. O, daar gingen ze al. En wie op dat moment naar boven keek zag drie seconden lang één groot pulserend hart boven het park vliegen.
Onderdeel van reeks plastic stillevens met sferische bijschriften die ontstaan waar ik ben (buk): Samos, Amsterdam, Sémelay, Breda ...


