Mariette Wijne

December 2015

De Ervaring

Mijn moeder was jarig. Er kwam bezoek uit Canada. Mijn 85-jarige tante Toosje en haar dochter Chris. Chris moest dagenlang als levende rollator fungeren en luisteren naar plat Brabants waar ze geen woord van begreep. Dat vonden wij, ik en mijn zussen, sneu voor haar. En dus vroegen we of ze misschien ergens zin in had, nu ze toch in Nederland was. Even iets anders. Een museum? Dagje shoppen? De Wallen desnoods? Mijn immer alerte tante Toosje hoorde dit gesprek en riep: HEINEKEN! She would love that. Tante bedoelde de Heineken Experience. In Amsterdam. En wie van de familie woont er in Amsterdam. Precies. Ik was de aangewezen persoon om met Chris naar de Heinekenfabriek te gaan. Had ik er zin in? Nee. Kon ik er onderuit? Nee. Minder Lees meer

Op aanraden van Heineken, maar verder onnodig, had ik online twee 18+-kaartjes gekocht. Zoals het een experience betaamt kregen we een groen rubberen festivalbandje om met gaatjes waarin twee ‘consumptieknoopjes’ zaten geklikt. De drinker in mij zag meteen dat er meer gaatjes dan knopen waren en die liep nog even terug om te vragen of het wel klopte. Dat deed het. Twee bier.

Binnen was het donker. Het eerste deel van de experience deed erg haar best om op een museum te lijken met vergeelde foto’s en schokkerige filmjes. Maar vanaf het bord waar je je hoofd doorheen kon steken om als oud-Hollandse graanhandelaar of zoiets op de foto te gaan, begon de beleving het over te nemen. We genoten nog even van immense koperen vaten en twee levende paarden, maar daarna was niets nog echt. We enterden een interactief universum dat ... ja wat eigenlijk? Wat hadden al die rugby-, voetbal-, volleybal-, tafeltennis-, formule-1-spelletjes eigenlijk te betekenen? Waarom moest ik met andere mensen in een kratsimulator gaan staan om te voelen wat het is om een flesje bier te zijn? Hobbeldebobbel op de lopende band, onder een sproeier, in het bad. Did you enjoy this? Si, zeiden de Italianen in gewatteerde jacks. Oui, knikten de Fransen op hun eeuwige mocassins. Het spelletjeslabyrint kwam uit bij de bar. Je mocht zelf tappen. Spannend hoor. Je kreeg er een cursus bierdrinken bij. Jemig. Daar gingen de handjes met de bandjes om de glaasjes de lucht in en klonk het ‘aaahhh’ in koor. Super. Mochten we nu dan eindelijk naar huis? Nee, nog lang niet. Er moesten nog gepersonaliseerde etiketten worden bedrukt, foto’s worden gemaakt en god weet wat de firma nog meer had bedacht om bezoekers hun geld afhandig te maken.
Het hele bezoek leek een etmaal te duren, toch stonden we na een uur alweer buiten. Ik heb heel wat musea van binnen gezien. Lange tijd voerde een Sardijns Bandietenmuseum mijn toptien van meest slaapverwekkend museumervaringen aan. Maar dat krot met z’n lage plafond en louter verroeste geweren is achteraf gezien een kaleidoscopische schatkamer vergeleken bij de doodsaaie Heineken Experience. Ik wist het van tevoren en ik blijf erbij: de cultus rond drank is stomvervelend.
Sorry? Of ik in de verleiding ben gekomen? Ja, om in een hoekje te gaan zitten slapen. Maar dat kon ik niet maken tegenover mijn nicht. Zij had overigens een great time. Het mooist vond ze de paarden. We hadden dus net zo goed naar een willekeurige kinderboerderij kunnen gaan.


Oktober 2015

Komt een verslaafde bij de dokter

Ik was op een mojitoparty. De genodigden waren overwegend grijs, vrouw en in goeden doen. De sushi was fantastisch, de lokatie adembenemend. Ik dwaalde wat door de tuin en luisterde her en der een gesprekje af. Het ging over alcohol. Wat anders? Tijdens het drinken wordt het liefst over drinken gepraat. Zulk metageneuzel gaat altijd over rode wijn, maar deze conversatie was van een andere orde. Een van de twee vrouwen somde namelijk zonder schroom de voordelen van niet-drinken op. Wat??? Hoorde ik dat goed? Ja, dat hoorde ik goed. Minder Lees meer

‘Na twee weken merkte ik veel verschil.’
‘Echt?’
‘Ja, ik sliep veel beter. Voelde me fitter. En vond dat ik er beter uitzag. Mijn huid, daar kon je het goed aan zien.’
Mijn hart maakte een sprongetje. Hoorde ik een lotgenoot? Nee, een kankerpatiënt. Bij de vrouw was borstkanker geconstateerd. Tijdens de behandeling had ze niet gedronken, maar na de chemo had ze haar oude gewoonte weer opgepakt. ‘Zodra het kon, begon ik weer.’
Er waren twee dingen waar ik nog dagen op bleef kauwen. Eén: dat de vrouw zich tijdens de chemo überhaupt beter had kunnen voelen dan slecht - en dat door zoiets ‘eenvoudigs’ als niet te drinken. Twee: dat ze ondanks haar broze gezondheid toch weer was begonnen. Waarom dan toch? Uit macht der gewoonte? Om te doen alsof er niets gebeurd was? Om te vieren dat ze nog leefde? Om de gedachte aan de dood te onderdrukken? Het was een vriend die het verhaal aanhoorde en meteen ‘verslaafd’ zei. Dat iemand én doodziek én verslaafd kan zijn, durfde ik niet te bedenken. Maar zoveel pech kan een mens dus hebben. Bovendien vroeg ik me af hoe dat werkt in zo’n ziekenhuis. Wat zegt de oncoloog? ‘Tijdens de chemotherapie kunt u beter niet drinken, wat u daarna doet moet u zelf weten. Sterkte ermee.’
Een ander voorbeeld. Een vriendin van mij sukkelt serieus met haar gezondheid. Ze rookt een pakje per dag. Ze heeft het afgelopen jaar talloze artsen gezien en evenzovele onderzoeken ondergaan. Ze kunnen niks vinden. Ze rookt een pakje per dag. Van al die specialisten is er niet een die daarover begonnen is. En dus heb ik dat maar gedaan. Heel voorzichtig: ‘Wil je ooit stoppen met roken?’ Maar zelfs die vraag was te confronterend. ‘Een brug te ver,’ zoals ze het zelf zei. Dit is een hoogopgeleide vrouw. Een filosoof bovendien. Zeg maar gerust een evangelist van de waarheid, maar haar eigen werkelijkheid kan ze niet onder ogen zien. Fysio, hapto, osteo, zwemmen in verwarmd water: ze grijpt alles aan om haar conditie te verbeteren. Ondertussen rookt ze een pakje per dag. En geen witte jas zegt daar wat van.
Ook ik vind dat artsen zich niet te veel met mijn of andermans lifestyle behoren te bemoeien. Maar soms ... soms zou je willen dat ze dat wel doen. Een ouderwets doktersadvies kan in sommige gevallen misschien wel wonderen doen. Wanneer artsen worden beëdigd, zweren zij hun patiënten ‘goed in te lichten en deze geen schade te doen’. Iemand stevig adviseren te stoppen met wat hem niet beter zal maken, hoort daar ook bij. En dan niet met een opgeheven vinger, maar met een degelijk behandelplan.


Augustus 2015

Het beest in de bek kijken

Verder niks nieuws. Alles z'n gangetje. Je peinst over een ander kapsel. Overweegt een wandelvakantie. En gaat op donderdagochtend met de trein naar IKEA om een douchegordijn te kopen. Juist dan, op een leeg perron, wordt er van bovenaf ingegrepen. Het zijn heus niet altijd grote dingen waar je van het universum op moet kauwen. Integendeel. Veel vaker zijn het kleine ontmoetingen die je een levenslesje leren. Jammer is wel dat de voor dit doel geronselde docenten nooit huwbare kerels met gevoel voor humor zijn, maar meestal dolende zielen die niet lekker ruiken. Of ze gedreven worden door herkenning of in mij een heilsoldaat zien aan wie je al je sores kunt toevertrouwen: mij moeten ze altijd hebben. Minder Lees meer

Dit keer zag ik de boodschapper al van verre aankomen, want: wat een lelijk pak droeg die man! Wit met roestbruine vlekken. Wie bedenkt er nou zoiets? Versace, zo bleek toen hij voor me kwam staan en uit zijn binnenzak met merklabel een pakje sigaretten hengelde. Overigens waren alleen het wit en de zilveren ritsen door Versace bedacht, het onregelmatige vlekkenpatroon was afkomstig van ‘those hree Moroccans’ die met gebroken kaken en gescheurde wenkbrauwen moeizaam aan een nieuwe dag begonnen. De man deed voor hoe hij zijn tegenstanders met een paar Bulgaarse karakateslagen had gevloerd. Het bloed op zijn pak was dus niet van hem, oh nee, dat was van dat tuig dat hem die nacht had proberen te beroven.
Het gevecht had plaatsgevonden ergens in Amsterdam, waar hij had zitten ‘drinking, drinking, drinking’. En: ‘When I drink I get a bit agressive.’ Hij kon nog steeds niet begrijpen dat de politie hem wel en die anderen niet had opgepakt. Overigens was ie wel tevreden over de behandeling. Anders dan in zijn thuisland had hij geen pak slaag maar een koffie en een tasje van de Jumbo gekregen. Daarin lagen nu drie halveliters te schommelen. De vierde had hij in zijn hand.
Had ik al gemeld dat op zijn rechteroog een aubergine groeide? Met zijn linker keek hij mij afwisselend dreigend en teder aan. In korte tijd kwam ik veel over hem te weten. Hij was in Rusland miljonair geweest, had nu een kantoor in de Rotterdamse haven en verdiende zijn geld met vage vastgoedpraktijken en ‘Rusland-gerelateerde diensten’.
Ondertussen reed mijn trein het station binnen. Ik wenste hem nog een goede reis, maar hij kroop naast me in de volle sprinter. Ik zag de mensen naar ons kijken. Wat zag iedereen er netjes uit; de hele wereld om door een ringetje te halen. Alles zo keurig en schattig, vergeleken bij deze man. Op mijn station bleef hij niet zitten, nee, hij wankelde achter mij het treinstel uit. Ik probeerde hem er terug in te duwen. Ik probeerde weg te lopen. Maar hij liet me pas gaan nadat ik zijn visitekaartje had aangenomen. Toen ik me daarmee wapperend uit de voeten maakte, hoorde ik hem roepen: ‘Don’t meet me in the evening. Then I’m not so nice.’ Thuis heb ik Dimitri’s bedrijf gegoogled. Wat bleek? Niks van wat hij had gezegd was onwaar.
Het was even puzzelen, maar ik geloof dat ik het volgende concluderen mag. 1. Niet alle alcoholisten zijn vreedzame snoezepoezen. 2. Ook huurmoordenaars hebben aandacht nodig. En 3, dat je de alcohol wel uit het meisje kunt halen, maar het meisje niet uit de alcohol. Zodra je een stap buiten de deur doet, raak je onder invloed. Dan kun je twee dingen doen. Je verbergen voor het monster of het beest onverveerd in de bek kijken. Doe je het laatste (en breng je het er heelhuids vanaf), dan heb je thuis weer iets spannends te vertellen.


Juni 2015

Geef gerust op

Niet dat mijn leven nu zo succesvol is. Achteromkijkend is er de afgelopen jaren best veel mislukt. Omdat ik het zelf vaak verprutste. Ik kan zo een rij projecten opnoemen waaraan ik vol vuur en vertrouwen begon, maar die ik moedwillig in de soep heb laten lopen. Als eerste denk ik aan de boeken die ik had kunnen schrijven, als ik tenminste meer discipline had gehad. Mijn erotische novelle, Brabantse detective, zelfhulpboek voor twijfelaars: ik had er schatrijk mee kunnen worden, als ik maar beter mijn best had gedaan. Minder Lees meer

Overigens liet ik het niet alleen op creatief vlak vaak afweten, ook in m’n vrije tijd was ik vaak een dweil. De fietsvakantie naar Berlijn had een sportieve mijlpaal kunnen zijn, ware het niet dat ik op de dag van vertrek in mijn bed bleef liggen. Ik was die zonnige juliochtend nog te beroerd om mijn banden op te pompen. De dagen ervoor had ik namelijk m’n tuinhuis geschilderd. Voor de helft. Dat spreekt voor zich.
Hoe anders was dat vroeger. Pitbull noemden ze me toen. Niet alleen dronk ik elke dag met de grootst mogelijke inzet, maar liep ik daarnaast met gemak een marathon en hield ik verbeten vast aan een kansloze relatie. Geen situatie te slopend of ik zette er mijn tanden in.
Het lijkt er dus op dat ik als drinker een grotere doorzetter was dan dat ik nu ben. Hoe is dat mogelijk? Hoe komt het dat ik toen van geen ophouden wist en dat ik nu, fitter en wijzer dan ooit, zo weinig aankan of afmaak. Het eerste wat me te binnen schiet is schaamte. Dat leg ik even uit. Kijk, drinkend schaamde ik me zo voor wie ik was dat ik uit compensatiedrang het braafste kind van de klas probeerde te zijn: lief, sportief en actief als vrijwilliger bij arme sloebers bovendien. Met de alcohol verdween de langzaam maar zeker die noodzaak tot compenseren. Nuchter heb ik minder reden om mezelf te straffen. De beul is met pensioen.
Tot zover de psychologie. Want wie zegt niet dat mijn verdwenen doorzettingsvermogen het gevolg is van een lichamelijk defect? Na zolang orders van mezelf te hebben moeten aannemen (word dun, lang, sexy, artistiek, iemand anders), roept de kleinste opdracht nu een immense aversie bij mij op. Het milde voornemen om eens een dag geen koolhydraten te eten, doet me om 11.00 uur al uit de pan flippen en uit razernij een brood naar binnen schuiven. Ik krijg dan pijn in mijn buik en jeuk in mijn wangen, niet van de honger, maar door een haperende wilsklier of zo. Als ik tegenwoordig iets moet of niet mag, komt mijn lichaam in opstand.
Ook nu, nu ik mezelf dwing een antwoord te vinden op de vraag waarom ik als drinker zo’n doorzetter was, beginnen de irritatie en tegenzin in rap tempo toe te nemen. Over een paar regels kan ik de druk waarschijnlijk niet meer aan. Dan komt het punt waarop ik, waarop het ... nou ja, vul maar in. Op het moment waarop de spanning een gevaarlijk niveau bereikt, is het gezonder om om te keren dan om een weg vooruit te forceren.
Hee, maar wacht es even, daar zeg je me wat. Zou al dat opgeven, afhaken, kappen en het bijltje erbij neergooien een teken van toegenomen zelfzorg kunnen zijn? Omdraaien uit wijsheid in plaats van luiheid. Mmm. Een prikkelende gedachte, en flauwekul bovendien, want het falen begint natuurlijk al bij de omvang van de plannen. Iets minder hysterische doelen stellen, dat zou pas echte zelfzorg zijn.


Maart 2015

Kermisklanten

Als ik het goed begrepen heb, bestaan er twee soorten alcoholverslaafden. Type 1 wordt gedreven door impulsen en kunnen de gevolgen van hun daden niet overzien. Drinkers van dit type raken al jong verslaafd, zijn betrokken bij vechtpartijen, auto-ongelukken en meer van die dingen. In het Engels worden ze thrillseeker of James Bond genoemd. Het zijn overwegend mannen. Uit op kicks; met alcohol voelen ze meer. Type 2 is het tegenovergestelde. Die zullen nooit met een opgevoerde Opel Kadett aan de start van de Zwarte Cross verschijnen, want type-2-drinkers blijven het liefst thuis. Ze zijn angstig, tobberig en onzeker zodra er andere mensen bij zijn. Zij drinken niet voor de kick maar voor de verdoving. Met alcohol kunnen ze het leven beter aan. In deze categorie zitten evenveel mannen als vrouwen. Zij worden ook wel losers genoemd. Minder Lees meer

Ik hoor sinds mijn geboorte bij type 2. Bang tot op het bot. Ik hyperventileerde voordat ik kon fietsen en de jaarlijkse dorpskermis zag ik met angst en beven tegemoet. Terwijl leeftijdgenoten joelend over de rand van het kuipje van het reuzenrad hingen, werd ik al duizelig van het naar boven kijken. Als vriendinnen met rode wangen van de opwinding door de cakewalk deinden, stond ik vanaf een veilig afstandje toe te kijken. Wat zich daarbinnen afspeelde, daar kon ik slechts over dromen. Ik durfde niks. Geen handstand of radslag. Ik kon niet eens duiken.
Maar ik kreeg wel kermisgeld en dat moest op. En zo begon ik te gokken. Het staat me niet meer voor de geest waar ik nou precies mijn guldens in stopte. De grijpers? Of toch de bulldozers? Maar op de pui van de kraam stond: ‘Ontmoetingsplek van winnaars’. Voor zover ik het mij kan herinneren heb ik maar één keer iets gewonnen. Stiekem verlangde ik naar zo'n grote pop met stijf vooruitgestoken benen. Maar die was buiten mijn bereik. Ik mocht iets kiezen van een andere plank. Ik koos een koperen schoen. Ja, een koperen schoen met een kapotte zool. Heel rustiek, beetje Anton Pieck in 3D. Het ding was te klein voor een plant en te hoog om een asbak te kunnen zijn. Toch moet ik er blij mee zijn geweest, want ik heb nog een foto waarop ik de schoen als een trofee de lucht in houd. Mijn oudere broer staat ook op die foto, hij wandelt juist het beeld uit, in een rechte lijn zijn toekomst in. Want anders dan ik had mijn broer wel een visie. Hij wist waar hij heen wilde en kon zijn impulsen beheersen. Zijn kortetermijngenot was ondergeschikt aan de grote beloning die in de toekomst gelegen was. Terwijl ik al mijn geld vergokte, was hij met zijn gedachten bij de sloot achter ons huis. Hij gaf geen cent uit; al zijn kermisgeld ging naar de werphengel waar hij sinds een tijdje voor spaarde. Mijn broer was van een ander slag. Hij steeg gestaag op de maatschappelijke ladder. Kocht het ene huis na het andere. Het bier in zijn kelder was ver over de houdbaarheidsdatum heen. Nu wil ik niet beweren dat je onder hengelaars geen alcoholisten hebt. Maar toch zeker niet van type 1.
Overigens heeft mijn broer die hengel kapotgeslagen op het hoofd van een buurjongetje en heb ik na mijn lagere-schooltijd nooit meer gegokt. Hoe dat in een theorie past, weet ik even niet. Het bewijst maar weer dat je kunt labelen en classificeren wat je wilt, maar dat het binnen elke categorie nog altijd over mensen gaat. En daar ken ik nog een paar types van. Zij die in het hok blijven zitten waar ze door anderen of zichzelf in terecht zijn gekomen. En zij die zoeken naar een deur om uit die beperkende ruimte te bulldozeren.


Januari 2015

Wanneer wordt het weer leuk?

‘Mevrouw Wijne, mag ik u eens wat vragen? Wanneer wordt het weer leuk?’ (Situatieschets: ik aan de telefoon met een meneer die zes weken en drie dagen niet gedronken heeft.) ‘Tja,’ zei ik om tijd te winnen, want ik was me bewust van mijn voorbeeldfunctie en had een paar seconden nodig om een diplomatiek antwoord te bedenken. Een antwoord dat zowel realistisch als optimistisch was. Een antwoord waar in de toekomst geen schadeclaim mee gemoeid zou kunnen zijn. (‘U, zei dat het binnen drie maanden weer leuk zou zijn en dat was helemaal niet zo!’) Minder Lees meer

Leuk, dacht ik, leuk, wanneer werd mijn leven weer leuk? Ik haastte me vijf jaar terug in de tijd en stond stil bij wat ongeveer de 45ste dag moet zijn geweest. Van mijn eerste honderd dagen was dit misschien wel de moeilijkste geweest. Ik had mezelf overtroffen, een persoonlijk record verbroken, maar leuk was anders. Ik voelde de hete adem van een terugval in mijn nek, of beter gezegd, frontaal in mijn gezicht. Op dag 45 hield ik nog nerveus de tel bij en overheerste een gevoel van kwetsbaarheid. Help. Hoe moet het verder? Heb ik nog lakens om te strijken? Keukenkastjes om te soppen? Zal ik voor een vijfde keer vandaag gaan douchen? Oh, wat verlangde ik ernaar om nergens naar te verlangen. Rust in mijn donder. Hulp van buitenaf was destijds ook heel welkom. Iets buitenaards. Ik wilde gedragen worden, zoals dat zo mooi heet. Fantaseerde over een vaderfiguur die me zou vertellen dat het goed was, dat ik sowieso goed ben, en dat ik geen speciale moeite hoefde te doen. Gewoon zijn, weet je wel. Adem in, adem uit.
Maar op zo’n vaag verhaal zat deze keurige meneer van begin zeventig waarschijnlijk niet te wachten. Die man wilde een houvast. Een datum in zijn agenda waar hij met een balpen een zonnetje omheen zou kunnen tekenen. Nog 23 nachten slapen en dan is het weer leuk. Leuk?
Wat is dat eigenlijk? Leuk dat zijn twee kinderen en een labradoedel. Ontbijt op bed op moederdag. Wat zit je haar leuk. Wat leuk dat je aan me hebt gedacht op mijn verjaardag. Hoe was het wellnessweekend met je zussen? Leuk. Leuk? Mijn leven was nooit zo leuk en dat is het gelukkig nog steeds niet. Maar kon ik hem dat zeggen?
Ondertussen, om de stilte te doorbreken, was hij zelf maar beginnen te vertellen. Over verslechterd contact met zijn kinderen. Over een uitstekende gezondheid die hij glas voor glas om zeep aan het brengen was. ‘Ik viel op slaap op feestjes. Kon nergens anders meer aan denken.’ Tussen de regels door hoorde ik het dilemma van de probleemdrinker die weliswaar buitensporig veel drinkt maar nog niet zijn rijbewijs en huwelijk is kwijtgeraakt en daardoor in de verleiding komt te denken dat het allemaal wel mee viel.
Oh jongens wat een herkenning. Ik kreeg het er benauwd van. En daardoor wist ik ineens wat deze bange lieverd nodig had. Geen datum maar een goeie ouwe geruststelling. Een dooddoener van jewelste, maar dat wat iedereen altijd het liefst wil horen. Het onverslijtbare, eeuwig werkzame: ‘Wees niet bang. Het komt goed.’ Dus dat zei ik. Zonder een spoor van ironie. Sterker nog, als hij gewoon zo doorgaat, komt het niet alleen goed maar wordt het ook nog eens beter. En dat is leuker dan leuk.