Mariette Wijne

December 2011

2012

Omdat het 21 graden was in november. Omdat Griekenland failliet ging. Omdat Mauro niet mocht blijven. Omdat we de wereld sowieso niet meer begrepen, kregen we het na een dag schilderen tijdens de hutspot over het einde der tijden. Normaal lachen we erom, maar dit keer zei mijn beste vriend met serieuze stem: ‘Ik ben niet apocalyptisch ingesteld, maar ik geloof dat we op een eindspel afstevenen. Als je ziet hoe landen rondom de Chinese Zee als een gek aan het bewapenen zijn ...’
Ik legde mes en vork neer en keek hem vragend aan. Toi? Crisismanager, rationalist, rasoptimist, die een bouwval van een café had gekocht om persoonlijk de culturele krimp van Groningse platteland tegen te gaan, gelooft dat het einde van de wereld in zicht is? Minder Lees meer

Dat hakte erin. Ik voelde een onbehagen opkomen waar ik sinds de jaren 80 geen last meer van had gehad. Een weeïge buikpijn die destijds werd veroorzaakt door mijn angst voor De Bom. Daar ging ik als puber mee naar bed en daar stond ik mee op. En daar tussenin droomde ik erover. Bijvoorbeeld dat ik met een clubje vrienden op het strand lag en dat we dan via luidspeakers hoorden dat De Bom onderweg was naar Nederland. Dan hadden we nog een paar minuten om afscheid van elkaar te nemen en dan koos de jongen waar ik verliefd op was voor de armen van een ander om in te sterven ...
Ach, die goeie oude Bom. Wat een overzichtelijke dreiging was dat. Hij kwam van één kant en de berichtgeving daaromtrent uit één bron. Het achtuurjournaal. Met New Wave en goedkope wijn was er prima mee te leven. Voor we het wisten viel de Muur, kwam Mandela vrij en gloorde een betere wereld. De Bom was een lachertje vergeleken bij de complexe ellende die ons nu boven het hoofd hangt. Stijgende zeespiegel, opdrogende oliebronnen, instortende monetaire stelsels, onbeheersbare virussen en, als ik mijn vriend mag geloven, dus ook nog vechtlustige Chinezen. Alles bij elkaar opgeteld zouden die miezerige Maya’s nog weleens gelijk kunnen krijgen met hun voorspelling dat op 21 december 2012 de boel ophoudt te bestaan.
Zoals dat gaat bij gesprekken over het einde der tijden, kregen we het al snel over hoe we onze laatste dagen dan door zouden willen brengen. De vraag der vragen zeg maar. Mijn rationele vriend wilde naar de Canarische Eilanden, een ander naar bed met een lekker wijf en een paar flessen wijn. Dat was ook degene die vroeg: ‘En jij, stel dat je nog een week te leven had, zou je dan weer gaan drinken?’
De volgende ochtend in de trein van Groningen naar Amsterdam bleef ik aan dat verdomde eindspel denken en aan het antwoord dat ik mijn tafelgenoten nog schuldig was. Al mijmerend zag ik nevels boven de velden hangen, een buizerd op een paaltje zitten, herfstkleuren knetteren in de novemberzon. Ik zag een zwaarlijvige man in zijn nieuwe trainingspak over een fietspad draven en hoorde de opgewonden stemmetjes van kinderen die zojuist waren ingestapt. Een doodnormale zaterdagochtend. Stel dat dit de laatste was? Wat te doen? Zou ik drinken en lam het einde afwachten of fietsend over een dijk nog een paar uurtjes schepping meepakken? Ik zou voor het laatste gaan en nog zoveel mogelijk mee willen krijgen van dit ‘vreemde genoegen’ (Raymond van het Groenewoud), ook al duurde het nog maar één dag. Dat moet je doemscenario’s nageven: ze vergallen je humeur, maar reinigen je blik. In het licht der eindigheid is het ‘nu’ werkelijk prachtig. Maya’s bedankt!


Oktober 2011

Eerste keer

Eerste column. Onbeschreven blad. Zoekend naar een haakje om deze tekst aan op te hangen, vond ik op internet een paar liedjes over ‘de eerste keer’. Eentje van Benny Neijman over zelfbevrediging op 12-jarige leeftijd. Eentje van Doe Maar over een ontmaagding in een fietsenhok. Tja. Dus. De eerste keer hoort kennelijk bij seks, zoals peper bij zout. In elk geval heeft de eerste keer betrekking op iets sensationeels. De eerste keer fietsen zonder vaderhand in je nek. De eerste keer zonder ouders op vakantie. Ik herinner me nog de eerste keer dat ik mijn eigen haren waste, mosselen at en de eerste keer dat de ander het uitmaakte – waar Brigitte Kaandorp dan weer een hartverscheurend liedje over schreef. (Oh de eerste keer doet dat verschrikkelijk veel pijn. Midden in de winter nota bene. Nu alle kleuren zijn verdwenen.) Minder Lees meer

De eerste keer is grensverleggend. Je doet, voelt, ziet of proeft iets wat je nog niet kende. Dingen die een onuitwisbare indruk maken en waar in mijn geval vanaf zekere leeftijd vaak alcohol bij kwam kijken. Wat weer een complete subcategorie aan eerste keren creëerde. Mijn eerste kater, kots, black-out, kapotte knieën, enzovoort. De eerste keer refereert dus ook aan zaken die je liever zou vergeten.

Hoe dan ook, die eerste keer, dat gebeurt nooit weer. Daar was ik van overtuigd. Totdat ik stopte met drinken. Toen begon alles weer van voor af aan. Dingen die ik honderd keren had gedaan voelden als nieuw. Als een ongekende ervaring. Misschien niet grensverleggend, maar toch zeker sensationeel. Zoals mijn eerste droge lente. (Bloesem aan de bomen: hemeltje wat mooi. Lammetjes in de wei: niet normaal zo lief.) En de eerste keer uit eten zonder erbij te drinken staat me levendiger voor de geest dan welk experiment in welke fietsenstalling dan ook.

Bij al de ‘eerste keren zonder’ voegde zich onlangs de citytrip. Een cadeautje van mijn zus. De laatste keer dat we samen op pad gingen, is dertig jaar geleden. Toen nam ze me mee naar Parijs, nu naar Madrid. Ik dacht aan de Goya’s in het Prado en aan Picasso’s Guernica. Maar volgens mijn zus is de charme van Madrid ‘dat alles en iedereen er buiten leeft’. Die mededeling was veelzeggend, maar ik luisterde er overheen. Wat ik zag toen ik uit het metrogat de zon in klom, daar was ik niet op voorbereid. Op elke hoek van de straat en in alle panden daartussen: cafés, bodega’s, hampaleizen, ijskastelen, tapasbars. Met inderdaad veel volk voor de deur. Staand dan wel zittend. Een bezoek aan Madrid, is een bezoek aan ’s werelds grootste terras. En kunst kijken – dat was ik vergeten – is geen doel maar slechts de aanloop naar het glas. Genoeg gezien? Zitten maar.

Mijn arme zus. Uit piëteit met haar geheelonthoudende zusje begon ze pas bij het avondeten te drinken. Twee glazen. Die haar de moed gaven om nog afzakkertje voor te stellen op een terras. Daar deed ik over mijn thee een krappe vijf minuten, waarna er pakweg veertig overbleven om te kijken naar het glas witte wijn van mijn zus. Nu eens leek het voller dan een minuut geleden. Dan weer nam ze drie snelle slokken achter elkaar om het vervolgens een kwartier lang niet aan te raken. Zo werd het laatste uur met de dag een grotere kwelling. Ik begon uit te kijken naar het moment van vertrek. Terug in Nederland gaf ik mezelf een 3 op de schaal van gezelligheid. Maar mijn zus zei monter: ‘Hier gaan we een traditie van maken.’
Er komt dus een tweede keer. Maar dan mag ik de city bepalen. Ik weet nu al dat het iets islamitisch wordt.