Mariette Wijne

Amsterdam, vrijdag 21 juni 2019

Het uitje

'Ziet er heel suf uit.'
Appt beste vriend nadat ik hem een foto van het uitje heb gestuurd.
Op de foto zit mijn moeder naast een soortgelijke vrouw in een houten bak. De bak is een van de vijf wagons van het traktortreintje dat door de kersenboomgaard rijdt. Ik zat ook in die bak maar ben eruit gestapt om een foto te maken voor mijn zussen en broer, zodat ze kunnen zien dat ze het naar haar zin heeft. Mijn moeder. Ze lacht. En ik lach ook. Want ik ben blij dat ze niet in haar rolstoel is blijven zitten, maar zich door twee potige kerels in de wagon heeft laten tillen. Ik hoop wel dat ze door al dat lachen niet in haar broek heeft geplast.
'Het zijn toch geen kinderen?'
Vraagt de beste vriend zonder op antwoord te wachten. 
'Ik zie bejaarden in een krat.'

De wagons zijn inderdaad gemaakt van kersenkratten. En tijdens de tour door de boomgaard is weinig te zien. Bomen vol kersen in verschillende stadia van rijpheid. En caravans van Poolse plukkers. En één Poolse plukker die door het beeld loopt met een ontbloot bovenlijf vol tattoo's. 

Voordat we in het treintje stapten, kregen we allemaal een puntzak grote zoete kersen uitgedeeld. Mijn moeder spuugde haar pitten uit op het erf van de boer. De pit uit de kers op het taartje dat bij de koffie werd geserveerd, legde ze in de suikerpot. Toch vind ik het niet leuk dat een heftig articulerende psychologe haar – een dag na het uitje – dement noemt. Enerzijds is het een zegen, want nu hoeft mijn moeder niet meer naar huis. Anderzijds is het een scherp en beladen woord dat niet past bij de lieve vrouw die daarnet nog lag te slapen en nu met dikke ogen het gesprek tussen haar kinderen en wat hulpverleners probeert te volgen. Haar reactie bestaat uit een paar plotse tranen, daarna een schouderophalen en de medededeling dat zij niet anders is dan anderen. Er net zo goed aan moet geloven. Naar huis wilde ze toch al niet. 'Ik heb het nog nooit zo goed gehad', zegt ze tegen niemand in het bijzonder als ze op de wankele rolstoellift van de Rolerisuit-bus wordt gereden.

Ik zit op de achterbank van de touringcar. Tussen de vrijwilligers die regelmatig met een bus vol oude en afhankelijke mensen op excursie gaan. Nu eens naar een fruitteler dan weer naar een geitenboerderij. Ik zie haar door het raam van de bus naar de polders kijken. Waar denkt ze aan? 

Het is heet in de bus. Ik ruik een urinelucht en probeer te achterhalen wie daarvoor verantwoordelijk is. Ik wil niet dat ze denken dat mijn moeder et cetera. Maar wie zijn ze? Toch niet die andere sukkelaars. En ook de verzorgenden zijn wel wat gewend. Ik maak me natuurlijk weer druk om die andere dochters. Die eeuwige andere dochters met hun gekapte haren en vrolijke zomerkleren, die wel weten hoe je een huishouden draaiende en je moeder droog houdt. Uit angst voor die andere dochters heb ik mijn moeders haren geborsteld en de donkerblauwe ziekenhuispantoffels maat 45 verwisseld voor de oude wandelsandalen van mijn zus. Toen mijn moeders voeten op hun dikst waren, heeft zij iets met die schoenen gedaan om ze passend te maken. Een orthopedisch wonder. Een daad van liefde bovendien. Al weken wijst mijn moeder naar beneden en vertelt dan dat ze het zo getroffen heeft met haar kinderen. Ook vorige week was het weer tijd voor zo'n bedankje. Maar toen we het spel meespeelden en naar haar voeten keken, zagen we die medicinale sombersloffen. Het lompe bewijs van haar dagelijks vergissen.