Mariette Wijne

Amsterdam, vrijdag 28 augustus 2015

Wachtkamer

Mijn moeder wordt negentig. Ze ziet daar al maanden tegenop. Er komt bezoek uit Canada. En ook daar ligt ze wakker van. Ze denkt dat ze haar geëmigreerde zuster en diens dochter gedurende een maand moet verzorgen en entertainen. In werkelijkheid blijven ze een week, logeren ze in een hotel en hebben wij een programma in elkaar gedraaid. Wat we ook zeggen, hoe we haar ook proberen te kalmeren, ze blijft tobben over die verjaardag en het bezoek van de Canadezen. Dat mag, allicht, maar wat zou het fijn zijn als ze er gewoon zin in had. Ik zeg: 'Het is toch fantastisch dat je 85-jarige zus die moeite neemt?' Zij antwoordt: 'Ik heb veel om dankbaar voor te zijn.' Ik: 'Dat is iets anders ma! Dat is een moralistisch opdreunversje.' Zij: 'Wablief?' Dit soort gesprekken verloopt moeizaam. Ik die haar verplicht te genieten, zij die sombert over de dingen die komen gaan. Voorheen leefde ze volgens eigen zeggen in blessuretijd, inmiddels is ze in een slecht verlichte wachtkamer beland. Ze is daar alleen en maakt zich zorgen over wat er achter die lage deur te gebeuren staat. Ik zou haar angst willen wegnemen, hard in mijn handen klappen om de spoken te verjagen. Haar broer is onlangs overleden. Een grote en sterke selfmade man. Ook hij was als de dood voor het grote onbekende, maar vertrok uiteindelijk kalm in zijn slaap. 'De dood kwam als een vriend', sprak mijn neef, zijn oudste zoon, tijdens de uitvaartdienst. Ik wil dat dit in de familie zit en dat de tall dark stranger op kousenvoeten haar slaapkamer binnen sluipt, haar teder optilt en in groene weiden neerzet, waar Wim en Cees haar in wielerpakjes verwelkomen en wegwijs maken door een fietsparadijs waar ze niet bang voor had hoeven zijn. Overigens verraste ze me gisteren door te zeggen dat ze dat beeld van die wachtkamer niet meer gebruiken mag. 'Van wie niet?' 'Van mezelf niet, 't is te deprimerend. Ik wil jullie niet tot last zijn met mijn gezeur.' Mijn neef, van de toespraak, had zijn vader samengevat met het woord 'strijd', wij hebben aan één woord niet genoeg: 'niemand tot last zijn', dat is het zinnetje dat mijn moeder typeert. Haar kasten zijn nu nagenoeg leeg. Als ze 's avonds gaat slapen, maakt ze het hele aanrecht schoon. Er mocht eens wat gebeuren. Maar dat doet het nooit. Mijn moeder wordt honderd. Let maar eens op. Maar eerst moet ze over die vermaledijde negentig heen.